Jardine Papegaai


V.D.


Foto's : S. Vantyghem


(Poicephalus Gulielmi)
 

Engels: Jardine's Parrot
Duits:
Kongopapagei
Frans : Perroquet de Jardine

 

In deze bijdrage willen wij het hier vooral hebben over een minder bekend lid van de Poicephalus soorten, nl  de  Jardine Papegaai  ook wel eens Kongopapegaai genoemd.

 


 

Ondersoorten

Er zijn bij de Jardine Papegaai drie ondersoorten bekend, maar het blijkt weeral eens zeer moeilijk om deze uit elkaar te houden. Toch is het wenselijk voor nafok dat men de ondersoorten  gescheiden houdt. 

 

-      Allereerst is er de nominaatvorm : Poicephalus gulielmi gulielmi. 

De Engelsen spreken hier « Black-winged Jardine"s parrot ».  De Duitsers hebben het hier over « Schwarzflügel-Kongopapagei ».

De donkere vleugel vormt dan ook al een zeker onderscheid met de andere ondersoorten.  Bij de nominaatvorm hebben de middelste en de grote vleugeldekveren een smalle groene band.  De kleine vleugeldekveren zijn volledig bruinzwart.  Voorhoofd en schedel zijn rood, alsook de vleugelboeg, vleugelrand en schenkel.  Volgens FORSHAW is de bovensnavel bij de nominaatvorm 33 tot 35 mm.  De totale lengte is ongeveer 27 cm.

Jonge vogels zijn moeilijk van de andere ondersoorten te onderscheiden, daar de zoom op de vleugels net zo is als bij jonge vogels van de andere ondersoorten.  Eerst na één jaar krijgen ze hun donkere kleur op de vleugels.

De nominaatvorm komt voor in Zuid-kameroen, Gabon, Zuid-Kongo, naar het oosten via Zaïre tot Zuidwest-Oeganda, en in het zuiden tot Noordwest-Angola.

Algemeen wordt aangenomen dat de meeste in Europa gehouden Jardinepapegaaien tot de nominaatvorm behoren.

 

-       De tweede ondersoort  is de  Poicephalus g. massaicus. 

Deze vogel bewoont de gebieden waar de Massai- stammen voorkomen.  Vandaar ook zijn naam.  We vinden deze ondersoort in Zuid-Kenia en Noord –Tanzania.

Hij lijkt sterk op de nominaatvorm, maar zijn lichter van kleur.  Ze hebben ook een kleinere snavel en de oranje veerpartijen op voorhoofd, schedel, vleugels en dijen zijn minder aanwezig.

 

-       De derde ondersoort is de Poicephalus g. fantiensis.

Deze is over het algemeen wat kleiner dan de vorige soorten.  Ook de oranje veerpartijen zijn hier  meer  oranjegeel.  De schubtekening op de vleugels vertoont hier een bredere groene zoom.

Hier moet echter vermeld worden dat er een geleidelijke overgang is tussen de P. g. gulielmi en de P. g. massaicus.  Deze tussenvorm die voorkomt in het hoogland van Kenia werd wel eens als een vierde ondersoort erkend nl. de P. g. permistus.  De meningen hierover blijven echter verdeeld.
 

 
In de natuur

De Jardine papegaaien komen uitsluitend voor in beboste gebieden, waar ze soms tamelijk algemeen zijn.  Soms zijn dat moeilijk doordringbare bossen op berghellingen waar ze voorkomen tot op een hoogte van 3000 meter.  Ze zijn erg schuw van aard.

Zij hebben hun vaste slaapplaatsen en het is dan ook niet uitzonderlijk dat ze dagelijks soms tot 50 km afleggen naar de voedergebieden.  Meestal worden ze per paar of in kleine familiegroepen waargenomen.  Men neemt aan dat de jongen bij de ouders blijven tot volgend broedseizoen.  Op plaatsen waar overvloedig voedsel aanwezig is worden ze ook wel eens in zwermen aangetroffen.

Allerlei zaden, noten, vruchten en bessen vormen het menu.  Verzot zijn ze op de noten van de oliepalm.  Ook wilde olijven en de zaden van de cederbomen worden graag gegeten.  Daarnaast wordt het menu nog aangevuld met insecten.

Het tijdstip van broeden hangt af van het regenseizoen. Zo wordt dit voor Tanzania van november tot maart, in Kenia van juni tot eind november en in West-Afrika van oktober tot november en van maart tot juli.

 

In de volière

In 1862 waren ze reeds in de Londense Zoo te zien.  Ook in de dierentuin van Hamburg moeten toen reeds exemplaren aanwezig geweest zijn.  Het waren echter grote zeldzaamheden.  Het zou nog tot 1970 duren vooraleer er regelmatig  Jardine papegaaien werden geïmporteerd.  De meeste echter kwamen terecht in vogelparken en een klein aantal papegaaienkwekers.  Door hun grote schuwheid en de omschakeling naar een ander voedsel is de gewenning van importvogels een moeilijke zaak.  Ook  vallen veel slachtoffers door ziekte bij ingevoerde vogels.  Er werd vastgesteld dat vooral ingevoerde poppen sterven aan longaandoeningen met  aspergillosis als hoofddoder.  Oudere importvogels blijven meestal hun schuwheid behouden.  Met jonge vogels verloopt de gewenning iets gemakkelijker.

Om al deze redenen wordt dan ook aangeraden aan iemand die met Jardine papegaaien wil beginnen, om met hier gekweekte exemplaren te starten.

Het komt bij de Jardine papegaai ook vaak voor dat door stress, de vogels zichzelf beginnen te plukken.

Uit de ons beschikbare informatie blijkt dat de meeste kwekers het absoluut noodzakelijk vinden  de vogels in de winter bijverwarming te geven tot minstens 10° C.

Als voeding wordt een mengsel voor papegaaien gebruikt waar pindanoten, gedroogde banaan, papaja en rozijnen zijn toegevoegd.  Ook wordt een mengeling van duivenvoer welke eerst 24 uur wordt geweekt aan het menu toegevoegd.  Verder is het dagelijks verstrekken van verse groenten en fruit zeker een must.

Voor zover bekend staat de eerste kweek in gevangenschap op naam van J. en P. STOODLEY in Engeland (1978). Nadien volgden meerdere succesvolle kweken in Duitsland, Tsjechië en Slowakije.  Ook in het vogelpark ‘Walsrode’ en het ‘Loroparque’ op Tenerife worden jaarlijks jongen gekweekt.  Het loopt echter niet altijd van een leien dakje.  Vooral bij paren die voor de eerste maal broeden moet soms ingegrepen worden.  Handopfok, of  bijvoederen moeten dan  worden toegepast om de kweek tot een goed einde te brengen.

Het legsel, dat meestal bestaat uit twee tot vier eieren, wordt 28 dagen bebroed.  De eerste dons is wit. Een pas uitgekomen Jardinejong weegt 11 gr.   Na 14 dagen openen de jongen de ogen.  Na vier weken verschijnen de eerste groene pennen op kop, rug en vleugels.  Het komt vaak voor dat de ouders de jongen plukken op de rug en de vleugels.  Wanneer de jongen na tien tot twaalf weken het broedblok verlaten, groeit het verenkleed terug bij.  Bij het verlaten van het nest zijn ze volledig groen, al het rood ontbreekt nog.  Na het uitvliegen worden de jongen nog drie tot vier weken door de ouders gevoederd.