|
Jardine Papegaai |
|
|
|
|
|
|
Engels:
Jardine's
Parrot
In deze bijdrage willen wij het hier vooral hebben over een minder bekend lid van de Poicephalus soorten, nl de Jardine Papegaai ook wel eens Kongopapegaai genoemd.
|
|
Ondersoorten -
Allereerst is er de nominaatvorm : Poicephalus
gulielmi gulielmi. De Engelsen
spreken hier « Black-winged Jardine"s parrot ». De Duitsers hebben het hier over « Schwarzflügel-Kongopapagei ». De donkere
vleugel vormt dan ook al een zeker onderscheid met de andere ondersoorten.
Bij de nominaatvorm hebben de middelste en de grote vleugeldekveren
een smalle groene band. De kleine vleugeldekveren zijn volledig bruinzwart.
Voorhoofd en schedel zijn rood, alsook de vleugelboeg, vleugelrand
en schenkel. Volgens FORSHAW
is de bovensnavel bij de nominaatvorm 33 tot 35 mm.
De totale lengte is ongeveer 27 cm. Jonge vogels
zijn moeilijk van de andere ondersoorten te onderscheiden, daar de zoom op
de vleugels net zo is als bij jonge vogels van de andere ondersoorten.
Eerst na één jaar krijgen ze hun donkere kleur op de vleugels. De nominaatvorm
komt voor in Zuid-kameroen, Gabon, Zuid-Kongo, naar het oosten via Zaïre
tot Zuidwest-Oeganda, en in het zuiden tot Noordwest-Angola. Algemeen wordt
aangenomen dat de meeste in Europa gehouden Jardinepapegaaien tot de
nominaatvorm behoren. -
De tweede ondersoort
is de Poicephalus g. massaicus.
Deze vogel
bewoont de gebieden waar de Massai- stammen voorkomen.
Vandaar ook zijn naam. We
vinden deze ondersoort in Zuid-Kenia en Noord –Tanzania. Hij lijkt sterk
op de nominaatvorm, maar zijn lichter van kleur.
Ze hebben ook een kleinere snavel en de oranje veerpartijen op
voorhoofd, schedel, vleugels en dijen zijn minder aanwezig. -
De derde ondersoort is de Poicephalus g. fantiensis. Deze is over het
algemeen wat kleiner dan de vorige soorten.
Ook de oranje veerpartijen zijn hier
meer oranjegeel.
De schubtekening op de vleugels vertoont hier een bredere groene
zoom. Hier moet echter vermeld
worden dat er een geleidelijke overgang is tussen de P. g. gulielmi
en de P. g. massaicus. Deze
tussenvorm die voorkomt in het hoogland van Kenia werd wel eens als een
vierde ondersoort erkend nl. de P.
g. permistus. De
meningen hierover blijven echter verdeeld. De Jardine
papegaaien komen uitsluitend voor in
beboste gebieden, waar ze soms tamelijk algemeen zijn.
Soms zijn dat moeilijk doordringbare bossen op berghellingen waar
ze voorkomen tot op een hoogte van 3000 meter. Ze
zijn erg schuw van aard. Zij hebben hun
vaste slaapplaatsen en het is dan ook niet uitzonderlijk dat ze dagelijks
soms tot 50 km afleggen naar de voedergebieden.
Meestal worden ze per paar of in kleine familiegroepen waargenomen.
Men neemt aan dat de jongen bij de ouders blijven tot volgend
broedseizoen. Op plaatsen
waar overvloedig voedsel aanwezig is worden ze ook wel eens in zwermen
aangetroffen. Allerlei zaden,
noten, vruchten en bessen vormen het menu.
Verzot zijn ze op de noten van de oliepalm. Ook wilde olijven en de zaden van de cederbomen worden graag
gegeten. Daarnaast wordt het
menu nog aangevuld met insecten.
In de volière In 1862 waren ze
reeds in de Londense Zoo te zien. Ook
in de dierentuin van Hamburg moeten toen reeds exemplaren aanwezig geweest
zijn. Het waren echter grote
zeldzaamheden. Het zou nog
tot 1970 duren vooraleer er regelmatig
Jardine papegaaien werden geïmporteerd.
De meeste echter kwamen terecht in vogelparken en een klein aantal
papegaaienkwekers. Door hun grote schuwheid en de omschakeling naar een ander
voedsel is de gewenning van importvogels een moeilijke zaak.
Ook vallen veel
slachtoffers door ziekte bij ingevoerde vogels.
Er werd vastgesteld dat vooral ingevoerde poppen sterven aan
longaandoeningen met aspergillosis
als hoofddoder. Oudere
importvogels blijven meestal hun schuwheid behouden.
Met jonge vogels verloopt de gewenning iets gemakkelijker. Om al deze
redenen wordt dan ook aangeraden aan iemand die met Jardine papegaaien wil
beginnen, om met hier gekweekte exemplaren te starten. Het komt bij de
Jardine papegaai ook vaak voor dat door stress, de vogels zichzelf
beginnen te plukken. Uit de ons
beschikbare informatie blijkt dat de meeste kwekers het absoluut
noodzakelijk vinden de vogels
in de winter bijverwarming te geven tot minstens 10° C. Als voeding
wordt een mengsel voor papegaaien gebruikt waar pindanoten, gedroogde
banaan, papaja en rozijnen zijn toegevoegd.
Ook wordt een mengeling van duivenvoer welke eerst 24 uur wordt
geweekt aan het menu toegevoegd. Verder
is het dagelijks verstrekken van verse groenten en fruit zeker een must. Voor zover
bekend staat de eerste kweek in gevangenschap op naam van J. en P.
STOODLEY in Engeland (1978).
Nadien volgden meerdere succesvolle kweken in Duitsland, Tsjechië
en Slowakije. Ook in het
vogelpark ‘Walsrode’ en het ‘Loroparque’ op Tenerife worden
jaarlijks jongen gekweekt. Het
loopt echter niet altijd van een leien dakje.
Vooral bij paren die voor de eerste maal broeden moet soms
ingegrepen worden. Handopfok,
of bijvoederen moeten dan
worden toegepast om de kweek tot een goed einde te brengen. |